Hoger beroep inzake te bouwen manege ongegrond verklaard

Posted by: advocaat | Posted on: november 5th, 2013 | 0 Comments

Uitspraak

201208107/1/A1.

Datum uitspraak: 5 juni 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Hoogeloon, gemeente Bladel,

tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch van 19 juli 2012 in zaak nr. 12/277 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Bladel.

Procesverloop

Bij besluit van 22 juni 2011 heeft het college geweigerd om aan [appellant] ontheffing en reguliere bouwvergunning eerste fase te verlenen voor het bouwen van twee gebouwen ten behoeve van “dagrecreatie voor de manege” en “bed&breakfast voor paardenliefhebbers en recreanten op doortocht” op het perceel [locatie 1], tegenover [locatie 2], te Hoogeloon (hierna: het perceel).

Bij besluit van 14 december 2011 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 juli 2012 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 april 2013, waar [appellant], bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, en het college, vertegenwoordigd door P.A.M. Stappaerts, werkzaam bij het college, zijn verschenen.

Overwegingen

1. [appellant] is eigenaar van het perceel, waarop een grotendeels ingestorte langgevelboerderij aanwezig is. Het bouwplan voorziet in het vernieuwen van dit gebouw en het bouwen van een bijgebouw. Tegenover het perceel is op [locatie 2] een manege gevestigd, die niet in eigendom is van [appellant].

2. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Buitengebied Bladel 2010” rust op het deel van het perceel waarop de langgevelboerderij is gelegen, de bestemming “Sport” met een relatieteken naar de tegenover gelegen manege. De rest van het perceel, waarop ook het in het bouwplan opgenomen bijgebouw is voorzien, heeft de bestemming “Agrarisch”.

Ingevolge artikel 1.72 van de planregels wordt onder manege verstaan een bedrijf (mensgericht) voor het beoefenen van de hippische sport alsmede voor het stallen van paarden en pony’s alsook ondergeschikte detailhandel en horeca ten behoeve van deze voorziening.

Ingevolge artikel 20.1, aanhef en onder b, zijn de voor “Sport” aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding “manege” bestemd voor een manege.

3. Niet in geschil is dat het bouwplan, voor zover dat voorziet in het bouwen van het bijgebouw, in strijd is met het bestemmingsplan, zodat het college in zoverre terecht heeft geweigerd om ontheffing en bouwvergunning eerste fase te verlenen.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het bouwplan, voor zover het voorziet in het vernieuwen van de langgevelboerderij, in strijd is met het bestemmingsplan. Het gebruik van het perceel ten behoeve van “bed&breakfast” en “dagrecreatie voor de manege” past volgens hem in het bestemmingsplan, nu het zich beperkt tot activiteiten die zijn gerelateerd aan de manege en de hippische sport de hoofdactiviteit vormt, waaraan de horeca wat betreft tijdsbesteding en omzet ondergeschikt is. Hij voert in dit kader verder aan dat de rechtbank ten onrechte geen betekenis heeft gehecht aan de mondeling gemaakte afspraken met de eigenaar van de manege over het aan de manege gerelateerde gebruik van de langgevelboerderij. Het op schrift stellen van deze mondelinge afspraken op 15 augustus 2012, vormt een bevestiging van het bestaan daarvan, aldus [appellant].

4.1. Het betoog faalt. De rechtbank heeft terecht in het aangevoerde geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het college het bouwplan ten onrechte in strijd met het bestemmingsplan heeft geacht. Daarbij heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat een relatie bestaat tussen zijn bouwaanvraag en de aan de overzijde gelegen manege. Voorts is niet is komen vast te staan dat het beoogde gebruik is beperkt tot activiteiten die zijn gerelateerd aan de manege. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat niet is gebleken van overeenstemming met de eigenaar van de manege over het verrichten van aan die manege gerelateerde activiteiten. De huurovereenkomst van 15 augustus 2012, waarin is opgenomen dat [appellant] vanaf 1 januari 2013 voor een periode van tien jaar aan [belanghebbende], wonend op het perceel [locatie 2], bedrijfsruimte verhuurt voor bed&breakfast en dagrecreatie ten behoeve van paardensport, maakt dat niet anders, nu die dateert van na het besluit van 14 december 2011. De stelling dat de huurovereenkomst een bevestiging vormt van al eerder gemaakte mondelinge afspraken heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt, zodat reeds daarom daaraan geen belang kan worden gehecht. Voor zover [appellant] met zijn verwijzing naar een brief van 12 juni 2009, waarin het college zich in principe bereid heeft verklaard planologische medewerking te verlenen aan de herbouw van de langgevelboerderij door middel van herziening van het bestemmingsplan, een beroep doet op het vertrouwensbeginsel, wordt overwogen dat dat beroep niet kan slagen, nu uit die brief enkel een positieve houding van het college blijkt om planologische medewerking te verlenen aan de herbouw van de langgevelboerderij en een definitieve beslissing daarover pas plaatsvindt bij het besluit op de aanvraag en dat het college heeft toegelicht dat nieuwe beleidsontwikkelingen hebben geleid tot het besluit om planologische medewerking te weigeren.

Nu het bouwplan op grond van hetgeen hiervoor is overwogen in strijd is met het bestemmingsplan, behoeft de vraag of de beoogde activiteiten als zodanig passen binnen het bestemmingsplan geen bespreking.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Fransen, ambtenaar van staat.

w.g. Hagen w.g. Fransen

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2013

Leave a Comment




Bel de juridische intakebalie

088 - 629 00 72

7 dagen per week bereikbaar

Ook 's avonds en in het weekend


Stel uw vraag via WhatsApp

06 - 25 33 65 76

Chat gratis en rechtstreeks